GroenLinks stelt vragen over 'VerwijsIndex Antillianen'

Is deze VerwijsIndex wel het juiste instrument in de strijd tegen criminaliteit of is het een ontoelaatbare vorm van discriminatie van de overheid?

De vragen van GroenLinks aan B&W komen voort uit een bericht van het Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCaN). In dit bericht worden de conclusies vermeld van een adviesrapport dat Mr. Dr. J. Nouwt en prof Mr. J.E.J. Prins schreven aan de hand van vragen van het OCaN over deze Index. Ook dit rapport werd door fractievoorzitter Jack Tsang vanavond aangeboden aan burgemeester Bruinsma.

Download rapport Nouwt en Prins (PDF)

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 Vlaardingen, 7 september 2006

 Geacht College,

Naar aanleiding van de behandeling van de conceptbrief aan de MAAPP over de Verwijsindex Antillianen (VIA) menen wij er goed aan te doen u op de hoogte te brengen van een notitie van het overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCaN).

Uiteraard is het terecht de uitspraak van het College Bescherming Persoonsgegevens af te wachten; daarnaast menen wij dat het goed is ook los daarvan uw besluit om de VIA in gebruik te nemen te heroverwegen.

In de bijgaande notitie van de OCaN worden stevige uitspraken gedaan mede op grond daar van verzoeken wij u ons deze vragen schriftelijk te beantwoorden zodat wij deze antwoorden in ons definitieve oordeel over de conceptbrief aan de MAAP kunnen meenemen.

Om misverstanden te vermijden: een aanpak van jongeren die overlast geven of zich in de criminaliteit dreigen te begeven of reeds crimineel gedrag vertonen is noodzakelijk. Eerder merkten wij op dat een goede mix van preventie en repressie daarbij noodzakelijk is.

Vooralsnog menen wij dat de VIA mede op grond van het uitgebrachte advies van Mr. Dr. J Nouwt, en prof. Mr. J.E.J. Prins de VIA niet het aangevezen instrument is om daar binnen de spelregels van onze rechtstaat aan bij te dragen.Om u te informeren bieden wij u ook het volledige rapport aan.

De vragen:

Klopt het dat:

1. een jeugdindex de VIA overbodig maakt;

2. alle Antillianen in principe in de speciale databank kunnen worden geregistreerd;

3. niet duidelijk is wat en wie precies een Antilliaan is;

4. de minister het "zwaarwegend nationaal belang" van een VIA niet met absolute cijfers kan aantonen;

5. het risico bestaat dat de databank mogelijk een instrument kan worden ten behoeve van het aangekondigde wetsvoorstel toelating- heenzending;

6. bij de VIA sprake is van het verwerken van bijzondere persoons/gegevens over iemands ras, zoals bedoeld in artikel 16 Wet Bescherming Persoonsgegevens;

7. de VIA onvoldoende voldoet aan nationale en internationale grondrechten en discriminatieverboden zodat de juridische onderbouwing onvoldoende is?

Namens de fractie van GroenLinks,Jack Tsang.

Bijlage - Bericht Overlegorgaan Caribische Nederlanders

 ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

BERICHT OCaN

"Verwijsindex Antillianen onhoudbaar"

De voorgestelde verwijsindex voor een specifieke categorie Nederlanders, te weten Antillianen, is onhoudbaar. Het verwerken van rasgegevens, dat rechtstreeks volgt uit de naam van deze verwijsindex, staat op gespannen voet met het doel en de noodzakelijkheid van een verwijsindex, evenals met de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP). Dat concluderen prof. Mr. Corien Prins en mr. dr. Sjaak Nouwt van de Faculteit Recht, Technologie en Samenleving van de Universiteit van Tilburg in een advies dat is opgesteld aan de hand van door het Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCaN) gestelde vragen.

Prins en Nouwt stellen: "De VIA is een verwijsindex en heeft daarom kennelijk niet de identificatie van betrokkenen (vaststellen wat de identiteit van deze persoon is) tot doel. Het is niet aannemelijk dat de VIA bedoeld is als instrument voor positieve discriminatie van de Antiliaan." Verder stellen zij: "Volgens de VIA Nieuwsbrief (Ministerie van Justitie) is het VIA-project ontstaan, omdat de verwijsindex Jeugd te lang op zich liet wachten. Deze opvatting lijkt vanuit een oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit de noodzaak van een VIA te ondermijnen. Een verwijsindex Jeugd maakt een VIA immers overbodig."Tenslotte zeggen Prins en Nouwt: "Het CBP heeft in diverse uitspraken over artikel 30 Wet politieregisters telkens benadrukt dat de verstrekking van persoonsgegevens op grond van dit artikel enkel mogelijk is in bijzondere, individuele gevallen.(…) In ieder individueel geval moet daarom de noodzakelijkheid van de verstrekking worden beoordeeld. Een systematische uitwisseling van gegevens over Antillianen zou dus volgens het CBP niet toegestaan zijn."

Naast rasgegevens, zouden in de VIA ook medische gegevens en familie-, kennissen- en vriendenkring van 1e, 2e en 3e generatie Antillianen kunnen worden geregistreerd in een speciale databank. De VIA gaat aldus om registratie van alle Antillianen, ongeacht leeftijd en geboortegrond. Wat en wie precies een Antilliaan is, blijft onduidelijk. De Arubanen zijn uit de VIA gelaten, in tegenstelling tot het voorgestelde wetsvoorstel 'toelating- en heenzending Antilliaanse en Arubaanse risicojongeren'.

Volgens de Minister is de verwijsindex noodzakelijk: "Antillianen zijn mobiel en schrijven zich niet in bij de GBA. Zo zijn zij niet te volgen voor politie en welzijnsinstellingen en niet te helpen. Daarom dienen justitie en hulpverlening van de 21 Antillianengemeenten gegevens uit te kunnen wisselen over Antillianen die risico lopen 'af te glijden'.

Uit correspondentie tussen OCaN en de minister blijkt echter, dat de minister het 'zwaarwegend nationaal belang' van een VIA niet met absolute cijfers kan aantonen. OCaN is van mening dat de ‘rassendatabank’ mogelijk een instrument zal worden ten behoeve van het aangekondigde wetsvoorstel toelating- en heenzending. De minister bekijkt inmiddels of de VIA valt in te passen in dit wetsvoorstel. Daarnaast is OCaN van mening dat met een VIA Antillianen niet beter geholpen worden en dat deze op gespannen voet staat met het principe van gelijke behandeling voor alle Nederlanders.

Op dit moment beoordeelt het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), de privacywaakhond van Nederland, het ontheffingsverzoek van de Minister inzake de VIA. Naar aanleiding van een gesprek tussen het CBP en OCaN in mei jongstleden heeft het Antilliaans-Arubaanse overlegorgaan een groot aantal documenten overgelegd waarin de noodzaak van de VIA werd weerlegd. Het door OCaN gevraagde advies van Prins en Nouwt, dat werd ondersteund door de juridische commissie van OCaN, onderstreept de onhoudbaarheid van de VIA.

Hoofdlijnen uit het advies:

Prins en Nouwt concluderen onder meer het volgende:

"Eerder (…) hebben wij al vastgesteld dat het doel van VIA ons vooralsnog niet duidelijk is geworden. Dat maakt het uiteraard lastig om de noodzakelijkheidseis aan dat doel te toetsen. Concreet betekent het ons inziens vooralsnog echter dat nu het doel van VIA (nog) niet vast staat ook de noodzaak van VIA niet kan worden aangetoond. Wat het vereiste van subsidiariteit betreft kunnen wij ons niet aan de indruk onttrekken dat met een Verwijsindex Jeugd hetzelfde doel kan worden bereikt, zonder dat daarbij een onderscheid naar ras (herkomst, afstamming) hoeft te worden gemaakt (hetgeen ons bovendien als zodanig juridisch onhoudbaar lijkt)."

"Meer in het bijzonder is bij de VIA sprake van het verwerken van bijzondere persoonsgegevens over iemands ras, zoals bedoeld in artikel 16 WBP. Dit volgt reeds uit de naam van de verwijsindex.(…) De VIA is een verwijsindex en heeft daarom kennelijk niet de identificatie van betrokkenen (vaststellen wat de identiteit van deze persoon is) tot doel. Voort is het ook niet aannemelijk dat de VIA bedoeld is als instrument voor positieve discriminatie van de Antiliaan (vgl. ook de brief over de ontwerp Wet inburgering, van de Permanente commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht, Commissie Meijers, d.d. 23 januari 2006).(...) Het is evident dat het gegeven "Antilliaan" een persoonsgegeven is over iemands ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming".

Naast de vraag wat de "welbepaalde en uitdrukkelijk omschreven" doeleinden zijn van de VIA (is dat "integratie van Antillianen in Nederland" of meer repressief de "aanpak van overlast gevende Antillianen"?), moet ons inziens aan de noodzakelijkheid van een VIA worden getwijfeld. Zoals in die VIA-nieuwsbrief (2 november 2005, nr. 2, p. 2) door Marilyn Haimé wordt opgemerkt, is het VIA-project ontstaan omdat de verwijsindex Jeugd te lang op zich liet wachten. Deze opvatting lijkt vanuit een oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit de noodzaak van een VIA te ondermijnen. Een verwijsindex Jeugd maakt een VIA immers overbodig. Bovendien is het feit dat niet ieder lid van de doelgroep altijd in de GBA voorkomt, een probleem dat de overheid zelf kan oplossen, waardoor het ons inziens niet als rechtvaardiging kan worden beschouwd voor de invoering van een VIA."

Het CBP heeft in diverse uitspraken over artikel 30 Wet politieregisters telkens benadrukt dat de verstrekking van persoonsgegevens op grond van dit artikel enkel mogelijk is in bijzondere, individuele gevallen.(…) In ieder individueel geval moet daarom de noodzakelijkheid van de verstrekking worden beoordeeld. Een systematische uitwisseling van gegevens over Antillianen zou dus volgens het CBP niet toegestaan zijn.

Prins en Nouwt attenderen op de CVS-JC en de VIP: "Beide verwijsindices zijn niet samengesteld op basis van rasgegevens".

Hierboven is bij de beantwoording van vraag 2 opgemerkt dat uit de beschikbare documentatie niet duidelijk wordt wat het doel van de VIA is: "integratie van Antillianen in Nederland" of meer repressief de "aanpak van overlast gevende Antillianen"? Een duidelijk geformuleerde doelstelling is naar onze mening echter wel noodzakelijk teneinde aan de verplichting van artikel 7 Wbp te voldoen, waardoor persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden kunnen worden verzameld.

Tenminste één van deze zes grondslagen (art. 8, WBP) moet aanwezig zijn bij het verzamelen van de persoonsgegevens en voorts iedere keer dat de persoonsgegevens in een latere fase worden gebruikt (geraadpleegd, verstrekt, etc.).

Wanneer de betrokkene geen ondubbelzinnige toestemming heeft verleend voor de verwerking, zal om te grondslagen b t/m f te kunnen toepassen sprake moeten zijn van noodzakelijkheid van de gegevensverwerking voor de daarin genoemde doeleinden.

Zoals de commissie Meijers in de brief van 23 januari 2006 in dit verband opmerkte met betrekking tot het Informatiesysteem Inburgering, is hiervoor niet voldoende dat de gegevens "van belang zijn" voor dat doel. In dit verband zij ook gewezen op de publicatie van Kohnstamm in NRC-Handelsblad van 9 augustus 2005 ("Geef privacy niet zomaar op voor terreur"), waarin hij er op wijst dat "handig zijn" van persoonsgegevens voor de overheid iets wezenlijk anders is dan nuttig en noodzakelijk, zoals o.a. bedoeld in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

Verder zeggen Prins en Nouwt dat "Opmerkelijk is het ons inziens dat in het Convenant gegevensuitwisseling ABC-overleg Nijmegen een omschrijving van het doel van de registratie in het geheel ontbreekt."

Ten slotte schrijven Prins en Nouwt het volgende: "Artikel 43 Wbp bevat de mogelijke uitzonderingen op het vereiste van verenigbaar gebruik, de informatieplicht en de uitoefening van het recht op inzage en verbetering. Deze uitzonderingen zijn gekoppeld aan een noodzakelijkheids-eis. Om zich op deze uitzonderingen te kunnen beroepen moet het strikt noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de staat, de criminaliteitsbestrijding, de overheidsfinanciën en economische belangen van de overheid (bijvoorbeeld fraudebestrijding), de toezichthoudende taak van de overheid of voor de rechten en vrijheden van anderen.De uitzonderingen gelden niet in het algemeen, maar moeten in concrete gevallen van toepassing zijn om er een beroep op te kunnen doen. Dit betekent ons inziens dat in zijn algemeenheid een dergelijke uitzondering niet kan worden gemaakt voor de totale groep Antillianen die in de VIA voorkomen, maar dat in individuele gevallen een afweging moet worden gemaakt."